Terloops   
Ik kom een bar binnen.
Nog nooit hier geweest.
Als een indringer neem ik plaats en probeer quasi zelfverzekerd een bestelling te plaatsen.
Gelukkig gaat het de barkeeper allereerst om negotie, dus mijn verzoek wordt ontvankelijk verklaard.
So far so good…
 
Allerwegen ogen op je gericht.
Wie is dat dan wel en wat komt die hier doen?
Dit is onze bar, ons gezelschap en wij komen hier altijd.
Liefst geen veranderingen en als het dan toch moet, dan houdt die zich maar zo rustig mogelijk.
Stelletjes.
Ik alleen.
Iedereen denkt: Die is op zoek….
 
Ik beken het eerlijk, ik ben altijd op zoek.
Op zoek naar mezelf, ontspanning, een leuke vrouw.
De mannen kijken onder invloed van de hoog getoupeerde vrouwen argwanend naar mij en het zijn nooit de vogelnestjes die mij zullen aanspreken.
Nee de dakdekkers, elektriciens en fabrieksarbeiders zelf spreken mij na verloop van tijd aan, puur om te weten wat ik hier wel zoek.
Dan komt het ogenblik, dat het ijs gebroken lijkt en ik probeer ieder spoor van dialect te vermijden.
Dat is na mijn binnenkomen de tweede fout.
Ik ben een kakventje; een professor…
En daar heeft niemand iets mee op.
 
Nu ik dit al talloze malen heb meegemaakt is het mij plotseling genoeg en spui alle dialect dat ik in mij heb als een diarree uit over het verzamelde gezelschap, gebruikmakend van meerdere geslachtsgemeenschapstermen en alle overige verzinbare gemeenplaatsen, en….
Plotseling zitten we op één lijn.
Ik hoor er nu bij.
Ik mag bier bestellen wanneer ik maar wil.
Geheel ongedwongen en terloops komen de nu van de professorale waan bevrijde toupetten naast me zitten en knopen het ene triviale gesprek na het andere aan.
 
Ter plekke concludeer ik, dat cultuur  geen zin heeft; dat denken geen zin meer heeft en dat ik met mijn kortstondige uittreding mijn eigen regels heb overtreden.