Kerstdromen
Normaal vlieg ik. Zweef over landschappen als gestuurd door een godenhand.

Maar deze keer was er onrust in het automatisme geslopen.
Als je je in de lucht bevindt, zijn er eigenlijk maar twee mogelijkheden; ofwel je vliegt ofwel je valt.
Ik viel!
 
Nu had ik dat uitgerekend vandaag niet verdiend. Als overtuigde niet gelovige had ik ‘s avonds nog de nachtmis gezongen en als tegenprestatie een beter lot verdiend.
Vermoeid, maar voldaan was ik die avond laat naar bed gegaan en gewoontegetrouw begon ik al snel te vliegen.
Deze keer werd dit rustgevende beeld echter verdrongen door rozige dikheid.
 
Vrouwenvormen drongen mijn geest binnen. Overal rondingen. En zo roze!
Is dit nu mijn ideaalbeeld van een vrouw?
Koester ik ook nog verborgen verlangens?
Een gigantische zeug van een roze vrouw.
Op de achtergrond groeit als bij toverslag ook nog een gepelde maïskolf uit tot een gigantisch fallussymbool.
De gele zaden schitterend gerangschikt over zijn gestrekte schacht.
Ik denk: ‘Een kolfje naar mijn hand’.
 
Ik begin nu toch wel serieus te vallen. Geen controle meer.
Steeds sneller gaat het nu en ik weet..... nog even.
Automatisch pak ik met beide handen de maïskolf beet, als een piloot, die in een laatste poging zijn toestel wil oprichten.
En ik trek mij eraan op tot ik zit.
 
Ik ben wakker.
Wat ik in mijn handen heb is geen maïskolf en maar half zo verbazingwekkend.
 
Kop op Henk,
Houd de moed erin, het is eerste Kerstdag.